We staan op een camping in de Loirestreek in Frankrijk. Het Château de Chenonceau is op kano-afstand. Drie meter voor onze tent staat een paard dat zich vooral bezighoudt met het bibberen van zijn huid om insecten te verjagen. Het is geen bijzondere camping, mijn vriend en ik staan er vooral omdat een vriendin van ons daar deze zomer werkt. Clémentine is een Française van rond de vijftig met een diepgewortelde vrijheidsdrang. Elke zomer verlaat ze haar appartement in Tours, trekt in een caravan naar een willekeurige camping om daar te helpen met de dagelijkse beslommeringen. Ze heeft ons vanavond uitgenodigd mee te doen aan het pétanque-toernooi van haar vrienden, allemaal werkzaam op de camping.

Er is vast eens bewezen dat een potje pétanque beter gaat onder het genot van een glas wijn en verschillende kazen. Daarom maakt Marie, werkzaam in het restaurantje op de camping, de tafel klaar voor de apéro. Stefanie neemt haar eigen fles rosé mee. Zij houdt zich bezig met kleine klusjes op het terrein, maar wel pas nadat zij elke ochtend dwarsfluit speelt in het bos. Na een nipje van de rosé gooit ze de fles onder de tafel. Niet te drinken,’’  oordeelt ze terwijl ze naar het pak rode wijn, een bib genoemd, grijpt. Na haar eerste glas staat ze op om de pétanque-baan te inspecteren. Toen had ik al kunnen weten dat dit geen simpele vrijetijdsbesteding zou worden, maar een zaak van leven of dood: “‘We moeten niet naar de zon toe spelen, want dan moet je met je ogen knijpen. Met onze rug naar de zon gaan we richting die kuil daar gooien.’ Na een discussie vol uitspraken als bof en ben voilà wordt besloten dat er toch naar de zon gespeeld wordt. Je mag even een zonnebril uit de tent gaan halen.

Omdat er zo veel mensen meedoen met het spel, moeten twee pétanque-sets gecombineerd worden. De set van Lucien, een van de jongeren die bij de kanoverhuur werkt, heeft splinternieuwe ballen. Die van zijn collega Theo zijn ouder en dus veel grauwer. Wat volgt is een verdeling van de ballen waar je eigenlijk geen wijn-hersenen bij kunt gebruiken: team 1 heeft twee streepjes op grauwe ballen, team 2 heeft 1 en 3 streepjes, maar wel allemaal op de nieuwe set. Hoe het met team 3 zat heb ik nooit begrepen. Ik neem maar gewoon wat ballen aan en hoop er het beste van.

Omdat er iets te lang geborreld is, begint het na een paar mènes (rondes) al te schemeren. Er ontstaat blinde paniek onder de Fransen. Het cochonnet, wat wij in het Nederlands ‘dat kleine balletje’ noemen, is al snel niet goed meer te zien. Theo pakt een lantaarn uit zijn camper en schijnt handmatig bij. Hij verzoekt iedereen vriendelijk, doch dringend, op zijn tenen te letten. Hij zorgt graag voor een goed spel, maar heeft geen zin in gebroken tenen. Als de zon echt achter de bomen is verdwenen, rijdt hij zijn auto tot vlak voor de baan en ontsteekt het groot licht. Als een stel drugsdealers staan we in het witte schijnsel, terwijl we ons blindstaren op de gele cochonnet. Marie, die het nogal ongezellig vindt, haalt waxinelichtjes om de pétanque-baan te markeren.

Yui, een Chinese stagiaire van de camping, probeert de competitieve sfeer wat te ontspannen door gekke geluidjes te maken als iemand gooit. De eerste twee keer vinden de spelers het nog wel leuk, maar daarna wordt al snel verzocht iedereen een eerlijke kans te geven. Ik weet niet precies wie de scores bijhoudt, maar deze zomer is er een klassement ontstaan. Iedereen wil voor de herfst begint, trots kunnen zijn op zijn of haar pétanque-seizoen. Theo staat nog steeds met een lantaarn boven de cochonnet, en begint zich te ergeren aan de lossere sfeer die ontstaat onder de niet-Fransen. Misschien heeft dat iets te maken met de bib die steeds leger wordt. De Fransen lijken ondertussen alleen maar fanatieker te worden. Een discussie barst los over het verschilende gewicht van de ballen, waardoor ze slechter zouden spelen dan normaal.

Clémentine zucht: ‘Het is zwaar om Frans te zijn.’