Als ouder sta je er niet om te springen wanneer je tiener aankondigt op feestvakantie te gaan naar een zon- en drankovergoten badplaats in Zuid-Europa. De platte grappen en het hoge seks-, drugs- en rock-‘n-rollgehalte van Oh Oh Cherso maken smakelijke televisie, maar liever zie je je eigen kroost niet in de beruchte serie figureren. Met dezelfde argwaan keken ouders vroeger naar de Grand Tour van hun jonge zonen. Ondanks het uitgesproken educatieve doel van deze reis door Frankrijk en Italië was er door het gebrek aan ouderlijke controle alle gelegenheid om te zuipen, te brassen en naar de hoeren te gaan. Soms had zo’n Grand Tour een tragisch einde. Volkert Teding van Berkhout (1601-1632) werd na een fataal duel in Rome verstoten door zijn familie.

 

De schaduwzijde van de educatiereis  

In de zeventiende en achttiende eeuw was het een goed gebruik dat rijke en invloedrijke families hun zonen op een Grand Tour stuurden. Twee of drie jaar lang besteedde de jonge elite van Nederland een klein fortuin om rond te kunnen reizen door Frankrijk en Italië. Dat was geen vakantie, maar een dure en weloverwogen investering in hun kind. Jongeren leerden meer over de wereld, maakten zich vreemde talen eigen en legden alvast handige contacten voor later. Van de universiteit van Padua of Orléans kochten zij een bul en in Genève huurden zij een privédocent in om te leren paardrijden, stijldansen en schermen. Eenmaal thuis kon de reiziger zich als een verfijnde globetrotter presenteren en met een vlekkeloos Frans accent vertellen over zijn statige portret dat hij in Rome had laten schilderen. Ook was de baan vrij voor een topcarrière als diplomaat of staatsman.       

Deze dure investering in hun zoon pakte soms verkeerd uit. Zelfs al werd een gouverneur ingeschakeld om een oogje in het zeil te houden, dan nog was er alle gelegenheid voor jongeren om zich te misdragen. Om niet naar huis gefloten te worden of gekort te worden in hun zakgeld speelden reizigers mooi weer in hun briefpost aan het thuisfront. Andere bronnen laten een heel ander plaatje zien. Drank, gokken, prostituees en gewelddadige duels kwamen veelvuldig voor. De dichter Joannes Six van Chandelier (1620-1695), die in 1649 naar Rome toog, schudde zijn hoofd bij dat gedrag:

 

Den vroegen aavond werd vernacht, by kortisaanen.
Of andre gaan ter kroegh, op Baccus (de wijngod Bacchus) dartle traanen. (…)
Nu is uw lieve soon geleerdt, al kosten ‘t wat
Maar, als ik Vaader ben, myn soon sal binnen blyven.

         

In Italië sliep een reiziger een gat in de dag en besteedde de rest van zijn tijd met schransen, drinken, roken, gokken en bordelen bezoeken, zo oordeelde de dichter. Dat was uit het leven gegrepen. Zijn metgezel Arnout Hellemans Hooft (1629-1680), zoontje van P.C. Hooft, schreef in zijn dagboek in codetaal over zijn bezoekjes aan Italiaanse courtisanes. Collega-dichter Matthijs van der Merwede (1613-1664) werd in Nederland berucht vanwege zijn erotische gedichten over zijn avontuurtjes met minderjarige Italiaanse meisjes.      

 

Feestmaal van de Bentvueghels
Matthijs Pool, naar Dominicus van Wijnen. Feestmaal van de Bentvueghels. Amsterdam, ca. 1700. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-0B-82.945.

 

Tegelijkertijd handhaafden ouders ook een ‘Don’t ask, don’t tell’-beleid. Zolang vrienden en collega’s niets te horen kregen over het wangedrag van zoonlief, werd het buitenlandse feesten gedoogd. De reis mocht niet tot imagoschade van de familie leiden. Willem van Oldenbarnevelt (1590-ca. 1638) bijvoorbeeld werd door zijn vader op het hart gedrukt zich te gedragen, “u wachtende van eenich schandael opte wech te gheven”. Misschien was het feesten en hoeren bezoeken juist onderdeel van de Grand Tour. Jongeren konden in het buitenland ongezien hun wilde haren verliezen en hun testosteronniveau verlagen om zich thuis eenvoudiger in het calvinistische keurslijf te wurmen. Wanneer geruchten over luide Italiaanse feestjes in Den Haag terechtkwamen en de reputatie van de familie in het geding kwam, was er daarentegen wel een probleem. Een bijzonder smeuïge roddel over de Parijse “débauches” van regentenzoon François van Aerssen (1630-1658) ging in 1658 als een lopend vuurtje door de stad. Wat die uitspattingen precies inhielden, weten we niet. In ieder geval had de jongen geen kans om zijn reputatie op te vijzelen: tijdens de laatste etappe van zijn reis verdronk hij ergens voor de Nederlandse kust. Voor Pieter Teding van Berkhout (1643-1713) speelde die ongelukkige afloop mogelijk mee tijdens de voorbereiding van zijn reis in 1664. De familie had jaren eerder te kampen gehad met zware reputatieschade, nadat zij zich gedwongen hadden gezien om Pieters oom, Volkert, te verstoten.

 

Duel tussen twee mannen
Louis François du Bouchet, Duel tussen twee mannen met degens. Parijs, ca. 1670. Amsterdam, Rijksmuseum, RP-P-2007-170.

 

De reis van Volkert     

Net als Pieter werd Volkert Teding van Berkhout klaargestoomd voor een topcarrière. Na zijn studie filosofie in Leiden, reisde hij in 1620 naar Frankrijk onder het toeziende oog van hoogleraar Thomas Erpenius (1584-1624). Een jaar later mocht hij mee in het diplomatieke gezantschap van Constantijn Huygens (1596-1687) naar Londen. Die twee belangrijke reizen waren een prelude voor zijn Grand Tour. In Frankrijk verplaatste hij zich in het hoge gezelschap van de hertog van Guise en in het Italiaanse Siena deed hij een bestuursjaar als consul van de Natio Germanica, de internationale studentenvereniging. Volkert had minder geluk tijdens zijn verblijf in Frankrijk in 1627, toen hij het aan de stok kreeg met een Poolse edelman. Voordat dat duel kon plaatsvinden, werd Volkert in hechtenis genomen. Alleen omdat de beroemde rechtsgeleerde Hugo de Groot (1583-1645) zich ermee bemoeide, die als ambassadeur in Parijs een oogje in het zeil hield voor jonge educatiereizigers, wist Volkert aan een vonnis te ontsnappen. Een jaar later was het opnieuw raak. In Rome duelleerde hij met de Nederlander Adriaan van Vrijburch. Adriaan overleed snel daarna. Het nieuws over “mr. Berchouts ongeluck” bereikte al snel Nederland. Dat was de druppel voor de familie. Volkert werd de rug toegekeerd en feitelijk verbannen uit zijn thuisstad. Uit de briefwisseling met zijn halfbroer Paulus (1609-1672) blijkt dat de kwestie gevoelig lag. In een Latijnse brief uit 1630, twee jaar na dato, schreef Volkert:

 

De reden dat ik niet eerder op uw brief geantwoord heb en zo lang gezwegen heb, kunt gij ook, al zwijg ik wel, bij uzelf bedenken, daar ik die soort brieven, die wij beiden wensten, niet aan u kon schrijven, opdat ik niet mijn smart zou prikkelen noch u tot hetzelfde verdriet brengen. Daar wij inderdaad zien dat alles door de tijd verzacht wordt (…) zo voelt ook mijn geest weer meer neiging tot wederzijdse briefwisseling, vooral wanneer ik bedenk dat door mij niets gedaan is wat niet in overeenstemming is met een edele en hoge geest, want nota bene uitgedaagd, door onrecht geprikkeld en ten slotte gedwongen tot lichaamsverdediging heb ik moedig, in een eerlijk gevecht, geweld met geweld gekeerd.

(Brief aan Paulus, Siena, 3 maart 1630)

 

In de jaren na het fatale duel probeerde Volkert zijn naam te zuiveren en streed hij tegen zijn ballingschap. Zo liet hij een plaatselijke arts een medisch attest opmaken waaruit bleek dat de overleden Adriaan van Vrijburch in het duel weinig letsel had opgelopen. Door een samenloop aan omstandigheden was de jongen uiteindelijk bezweken aan een hevige infectie. De Romeinse wacht, ene Feliciano Primano, die het duel had gezien, getuigde dat “alles wat in het selfde gevecht passeerde, is geweest met gelijcke wapenen ende gelycke voordeel, uijtbijsondert vande fortuine (met uitzondering van het lot).” Omdat de man niet kon schrijven, zette de gardist een kruisje op het officiële document. Volkert huurde een vertaler in om de Franse en Latijnse stukken naar het Nederlands over te zetten.         

 

Verklaring Romeinse gardist
Verklaring van de Romeinse gardist Feliciano Primano, met kruisje als handtekening. Rome, 1628. Den Haag, Nationaal Archief, FA Teding van Berkhout 80.

 

Dat alles mocht niet baten. Ook al benadrukte Volkert in zijn brieven iedere keer weer dat hij niet de uitdager was geweest en dat er sprake was van zelfverdediging, de familie negeerde ieder bewijsstuk. Volkert trad in dienst als lijfcornet in een ruiterregiment van hertog Gonzaga en stierf in 1632, kort na de Slag om Neurenberg. Ironisch genoeg overleed hij mogelijk aan een infectie. Volgens de gezant die de familie op de hoogte stelde, kreeg hij tijdens de belegering koorts en de “rode roe”. Twee weken later bezweek Volkert aan de ziekte. Hij werd door medesoldaten begraven in een dorp even buiten Neurenberg.              

Het verhaal van Volkert laat zien dat reizen serious business was. In veel gevallen lijken reisverhalen uit het verleden op de onze: jongeren kwamen in penibele situaties terecht, dronken te veel, flirtten met mooie vrouwen en beschouwden hun lange rondreis als een drempelervaring, als een duidelijke breuklijn tussen studietijd en carrière. Anders dan nu werd er meer gewicht aan een Grand Tour gehecht. Het was een peperdure onderneming, waarmee de jonge Nederlander niet alleen zichzelf kon verbeteren, maar ook kon bijdragen aan de meerdere eer en glorie van de familie. Wanneer de familie onverhoopt imagoschade opliep, had dat heftige consequenties.

 


Meer lezen?

Voor Volkert en de familie Teding van Berkhout zie ook de boeken De Groote Tour (Amsterdam, 1983) en Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout (Hilversum, 2007) van Anna Frank-van Westrienen.

Voor het wilde leven van zeventiende-eeuwers, lees Seks, drugs en Rock ’n Roll in de Gouden Eeuw van Benjamin Roberts (Amsterdam, 2014) en de inleiding op de editie van Arnout Hellemans Hoofts reisverslag (Hilversum, 2001).

De citaten en (getranscribeerde) stukken van en over Volkert zijn te lezen in het familiearchief Teding van Berkhout in het Nationaal Archief in Den Haag (no. 73-87). Voor het gedicht van Chandelier zie de editie van Jacobs (Assen, 1991). Voor het citaat van Willem zie de bescheiden van Van Oldenbarnevelt, uitgegeven door A.J. Veenendaal (Den Haag, 1962). Het citaat over Volkerts ongeluk staat in het vierde deel van de briefwisseling van Hugo de Groot (Den Haag, 1964).

 


Alan Moss is promovendus aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij werkt aan een proefschrift over identiteitsvorming in Nederlandse reisverslagen uit de zeventiende eeuw. Op zijn eigen website plaatst hij regelmatig opvallende fragmenten uit deze reisverslagen.