Dertien was ik, toen ik geen toerist meer wilde zijn. Met mijn peetouders ging ik op vakantie. In de herfstvakantie vlogen we naar het zuiden, naar een hotel met uitzicht op zee. Gewend als ik was aan vakanties met mijn ouders, broertje, zusje en vrijwel altijd nog een ander kinderrijk gezin, zag ik dit als mijn eerste ‘volwassen’ vakantie. We zouden in een hotel slapen – Met zwembad! Een hotel met zwembad! – en voornamelijk de stad bezoeken. Geen vakantiehuisjes in wandelgebieden dit keer, maar een echte stedentrip. Inclusief stedelijke geneugten als taxi’s, restaurants en winkelcentra.

 

De nieuwe setting, de nieuwe reisgenoten en mijn tenen op de drempel van de puberteit zorgden voor een sterk vergroot zelfbewustzijn. Ik was dan misschien een meisje dat op vakantie was in een zonnig land samen met twee volwassenen – niemand die er niet van zou uitgaan dat het mijn ouders waren – maar zo wilde ik niet gezien worden. Ik voelde me een vrouw van de wereld – hoewel, ‘vrouw’? op mijn dertiende? –, eentje die regelmatig de wereld over vloog en zich overal thuis voelde. Een vrouw die overal de weg kende en anders in de lokale taal de weg kon vragen. Ik voelde me, kortom, alles behalve een toerist.

Ik voelde me een vrouw van de wereld – hoewel, ‘vrouw’? op mijn dertiende?

 

Als niet-toerist legde ik mezelf allerlei beperkingen op. Niet op straathoeken de plattegrond bestuderen, bijvoorbeeld. Niet uren klooien met een kaartautomaat op het station. Niet te aandachtig naar mooie of alledaagse gebouwen kijken. Niet twee keer per dag een ijsje eten. Of, nou ja, niet drie keer per dag. Het ging me bijzonder goed af, vond ik zelf. Ik keek onopvallend naar het moois om me heen. De kaartautomaat had geen geheimen voor me. Als ik de weg niet meer wist, liep ik door tot een straathoek waar niemand mij en mijn plattegrond kon zien. En als ik een ijsje wilde, dan at ik een ijsje.

Omarm de toerist in jezelf
Niet herkend worden als toerist? Bekijk dan vooral geen plattegrond op openbare plekken 😉

Mijn reisgezelschap dacht er anders over. De eerste foto die ik maakte toonde mijn peetvader in klassieke toeristenpose. Comfortabele kleding en schoeisel. Fototoestel op de buik. Plattegrond in de hand. Ogen omhoog gericht op een niet al te bijzondere boom, die op vakantie opeens allure kreeg. En dan was zijn handzame verrekijker nog in de hotelkamer achtergebleven. Ik doopte hem de übertoerist, mijn tegenpool. Ik ging niet zo ver dat ik niet meer naast hem durfde te lopen, maar ik hoopte wel dat ik door het contrast nog beter als niet-toerist uit de verf kwam. Dat ik degene was met hoogblond haar in een donkerharig land en dat hij zich zonder moeite verstaanbaar kon maken, vergat ik voor het gemak.

Niet twee keer per dag een ijsje eten. Of, nou ja, niet drie keer per dag.

Dagenlang waande ik me een geloofwaardig inwoner van de stad. Het kostte soms wat moeite. Mijn rammelende maag om half zeven ’s avonds negeerde ik, het was immers nog lang geen etenstijd. Ik bestelde steeds dezelfde gerechten om niet te hoeven vragen wat de onbekende woorden betekenden. Toeristenwinkels meed ik, behalve dan, vooruit, de ijscoman op de boulevard. Het resultaat: niemand, werkelijk niemand, zal mij ook maar een seconde voor een local hebben aangezien.

Ik had een heerlijke vakantie, daar niet van, maar dat was eerder ondanks dan dankzij die zelf opgelegde beperkingen. Dat zag ik voortdurend bevestigd: mijn tegenpool de übertoerist had óók een heerlijke vakantie, waarschijnlijk zelfs een betere. Hij had geen blaren in zijn comfortabele schoenen, verdwaalde minder, kon binnen een paar seconden een foto maken en vroeg om uitleg als hij iets niet wist. Hij genoot van de doodnormale dingen die op vakantie opeens bijzonder zijn: een tram, een bankje, een kopje koffie. Hij was een toerist en wilde niets liever zijn.


Het resultaat: niemand, werkelijk niemand, zal mij ook maar een seconde voor een local hebben aangezien

.

Ik had nog een paar vakanties nodig om de levensles te leren: schaam je niet voor wat je bent. Het is oké om toerist te zijn. Vecht er niet tegen, maar omarm het. Als toerist heb je geen verplichtingen en kun je de tijd zijn gang laten gaan. Op onbekende plaatsen registreren je ogen veel meer details. Je bent gevoeliger voor geuren en voor schoonheid, voor kleuren en voor sensaties. Een bezoekje aan de supermarkt is een belevenis, om elke hoek wacht een verrassing. En je kunt zo veel ijsjes eten als je wilt.

 


5 voordelen van het omarmen van je ware toeristische aard op vakantie:

 

Je hebt altijd een excuus. Stap je midden in de spits met volle koffers de metro in? Weet je niet hoeveel fooi je moet geven? Geen paniek. Als je overduidelijk geen local bent, maakt het niet zo veel uit wat je doet. Mensen vergeven het je want je bent nu eenmaal een toerist – of ze haten je toch al, om precies hetzelfde.

Je buitenlandse accent roept vertedering op. Je kunt wekenlang oefenen op de perfecte uitspraak van een belangrijke zin (‘Waar ligt het bestek?’) maar de kans is groot dat je het antwoord vervolgens niet verstaat. Je kunt beter je accent koesteren en het strategisch inzetten. Want zeg nou zelf: dank-oe-wel klinkt toch veel leuker dan dank u wel?

Je kunt volledig in het nu leven. Waar je thuis een dure mindfulness-cursus nodig hebt om dit te bewerkstelligen, gaat het op vakantie stukken makkelijker. Je hebt geen verplichtingen en alles is nieuw en bijzonder. Moeiteloos luister je met aandacht naar onbekende klanken, voel je de warmte van de zon op je huid en proef je de verfrissing van een koud biertje. Je stress verdwijnt.

Je ziet nog eens wat. Toeristische attracties zijn meestal niet voor niets zo populair: ze zijn uniek en bijzonder. Dus overwin je weerstand en je snobisme, sluit aan in de (hopelijk niet te lange) rij en geniet van al dat moois.

Je kunt ongegeneerd souvenirwinkels in. En je zal nog versteld staan van de leuke dingen die je er (voor een veel te hoge prijs) kunt kopen.