Je hebt misschien al over Killing Eve gehoord. De serie, geschreven door de geniale Phoebe Waller-Bridge, is immens populair en werd door de Volkskrant een van de tien beste series van 2018 genoemd. Seizoen twee is sinds kort te zien op NPO. Halverwege dat seizoen begon ik me af te vragen wat deze serie nou zo goed maakt. Het zou kunnen liggen aan de fenomenale acteerprestaties van Sandra Oh, Jodie Comer en Fiona Shaw. Misschien is het de gouden combinatie van spanning en intelligente humor. Of is het toch de psyche van de personages die zo vernuftig wordt blootgelegd? Waarschijnlijk is het een mengeling van dat alles, met als glanzende, donkerrode kers daar bovenop: de mooie locaties waar de verhaallijn je naartoe neemt.

 


Killing Eve gaat over Eve Polastri (Oh) die voor MI6 werkt en een internationale huurmoordenaar in het vizier krijgt. Ze heeft een fascinatie voor vrouwelijke moordenaars en kan die interesse goed inzetten, want het blijkt om de jonge vrouw Villanelle (Comer) te gaan. De vrouwen raken geobsedeerd door elkaar en belanden in een internationaal kat-en-muisspel.


 

Het begint al goed in de eerste aflevering van seizoen één. Huurmoordenaar Villanelle krijgt een opdracht waarvoor ze moet afreizen naar het zonnige Toscane. Op een motor racet ze door de geelgroene heuvels en pauzeert ze voor een crostini met kaas (het lijkt pecorino romano) en een sappige tomaat – ik werp een schaamtevolle blik op de zak Bugles naast mij op de bank. In de villa van haar toekomstige slachtoffer wordt een feestje gehouden zoals je hoopt dat er veel zijn in Italië. Een oude nonno viert zijn verjaardag in de tuin met zijn zongebruinde vrienden, lekkere wijnen en chique vrouwen. Dat het plot een dramatisch einde maakt aan deze idylle, neem ik graag voor lief. 

Het thuisfront van de serie bevindt zich in Londen, maar laat de stad juist zien op een manier die je niet in de reisboekjes vindt. MI6, de Engelse geheime dienst, wordt afgeschilderd als een logge, ouderwetse club en daar is het decor op aangepast. De kantoren komen allemaal uit de niet-zo-funky jaren zeventig en zijn dus gemaakt van treurig beton. Binnen zijn de werkplekken donker en vrijwel altijd voorzien van hopeloos gedateerde lambrisering. Gelukkig spreekt iedereen constant met elkaar af in de mooiste restaurants. Waarschijnlijk is dat een aardige must-visit lijst om mee te nemen naar de Engelse hoofdstad. Het appartement van Villanelle in Parijs is licht en precies shabby genoeg. In die stad loopt ze ook (steeds in vrij krankzinnige outfits) langs hoogtepunten als de Tuilerieën tuinen en Place Vendôme. Voor een opdracht is ze ook even in Sofia, Bulgarije, maar daar krijgen we niet veel van te zien (gelukkig kunnen wij van touristico je over die stad vertellen in dit verhaal).

In het tweede seizoen worden we locatie-technisch ook verwend, al komt het gevaar wel erg dichtbij. Villanelle wordt naar Amsterdam gestuurd om iemand om te leggen (hoi Roeland Fernhout!) en bezoekt de verplichte grachten en het Rijksmuseum, maar gaat ook spacen in de underground club Shelter in Noord. Tijdens de aftiteling zingt ons aller Willeke Alberti wat moed toe. Voor een intense ondervraging neemt Eve een verdachte mee naar het sprookjesachtige Forest of Dean in Engeland. Die magere bomen in grijs licht zijn populair als decor: Harry Potter en kameraden hebben er ook rondgewandeld.

De laatste aflevering van seizoen twee speelt zich af in Rome. De stad van regisseurs Fellini en Visconti. De sfeer van hun films lijkt terug te komen in deze aflevering, al slaan we de Trevifontein wel over. Eve en Villanelle wanen zich in het Rome van de jaren vijftig met smalle steegjes in terracotta kleuren. De twee vrouwen slapen óf in een palazzo vol Italiaans design óf in een schattig hotel vol retromeubilair. Wat er uiteindelijk gebeurt in de ruïne van Villa Hadriana kan ik uiteraard niet vertellen. Maar de setting is zo mooi, dat ik er alsnog naar gekeken had als er helemaal niets zou gebeuren.