‘Cuba?’ vroeg de kapster, terwijl ze haar wenkbrauwen optrok. Ze had een plat Amsterdams accent en sprak net iets te hard waardoor iedereen in de zaak zich naar haar omdraaide. Haar haar was koperkleurig met witte highlights. Mijn vader zat voor haar in de kappersstoel met een kapper schort om en nat haar. We zouden de volgende dag op reis gaan en waren de laatste inkopen aan het doen: zonnebrand, een wereldstekker, Deet.

‘Oh wacht,’ had mijn vader gezegd, toen hij stopte voor de kapperszaak waar hij al jaren kwam. ‘Nog even knippen, voor de grote reis.’ Voordat ik er iets tegenin kon brengen was hij al naar binnen gelopen. Ik nam plaats in de stoel bij de ingang en wachtte ongeduldig op hem, bladerend door oude Libelles.

‘Cuba!’ zei mijn vader tegen de kapper, op dezelfde luide toon.


Mijn vader nam mijn broer en mij voor het eerst mee op reis toen ik zeven was. Mijn broer was negen.

‘Geen idee, we gaan op de bonnefooi,’ zei mijn vader altijd lachend, als mensen aan hem vroegen waar we dan heengingen.

Voor onze eerste reis had hij een plunjezak gekocht bij een legerdump, zijn enige voorbereiding. De plunjezak werd volgestouwd met kampeerspullen en was loodzwaar. Omdat geen van ons drieën sterk genoeg was om de plunjezak te tillen, hadden we hem met een bijzondere constructie van sleepkabels en een waslijn aan een gammel boodschappenkarretje vastgebonden. Mijn broer en ik kregen onze eigen kinderbackpack, die we zelf moesten inpakken en dragen. We overnachtten in appartementen, hotels en waren soms midden in de nacht nog op zoek naar een camping. In sneltreinvaart leerden mijn broer en ik de weg lezen, tenten opzetten, keuzes maken onder druk. En dat goede voorbereiding soms wél het halve werk is. De jaren erna gingen we naar Spanje, Italië, Sri Lanka en Corsica. We reden met een camper door Canada, maakten een roadtrip door Zweden, Noorwegen en Denemarken. We gingen eilandhoppen in Griekenland en reisden af naar Ibiza, Berlijn, Portugal en Turkije.

Acht jaar na die eerste reis gingen we naar Cuba, dit keer met een reisgezelschap en zonder plunjezak. Het was 2007. Een jaar eerder had Fidel Castro, de communistische dictator, zijn macht overgedragen aan zijn broer Raúl. In 2008 zouden er verkiezingen komen en zou er een nieuwe president verkozen worden. Met het aftreden van Castro en een nieuwe president in het vooruitzicht waren de Cubanen ervan overtuigd dat dit een van de laatste jaren was dat Cuba onder een communistisch regime zou leven. Voor ons een buitenkansje om het communisme van dichtbij te zien, vond mijn vader.

Straat auto vlag cubaCuba was precies zoals op de plaatjes in de Lonely Planet: gekleurde huizen, oldtimers en locals die dikke sigaren op straat aan het roken waren.In plaats van billboards van Coca Cola en H&M hingen er op elke straathoek borden met communistische leuzen, borden waar in grote letters Viva Fidel! op was geschilderd en portretten van de revolutionair Che Guevara.

The Guardian schreef een bijzonder stuk over de propagandakunst in Cuba. Dat lees je hier.

 

Reizen in Cuba was zwaarder dan alle andere reizen ervoor. We reden elke dag minimaal acht uur over onverharde wegen in een busje dat met ducttape bij elkaar werd gehouden. Tijdens deze ritjes betrapte ik mezelf erop te verlangen naar het stinkende, chaotische en extreem drukke Colombo – de hoofdstad van Sri Lanka – met straten vol mensen, koeien en sjezende tuktuks.

We luisterden naar geromantiseerde en eindeloze verhalen over de dictator Fidel Castro en over Che Guevara, die of als held werd gezien of als psychopathische crimineel. Het eten op het eiland was schaars. In een restaurant aten we wat de pot schafte en dat was elke dag vrijwel hetzelfde gerecht: bonen, mais en rijst met kip of varken. Er was geen internet en nauwelijks telefoonbereik.

Het kustplaatsje Varadero was de laatste bestemming van onze reis.

‘It’s like paradise,’ omschreef onze reisleider Emilio, de plek.

Er werd een wit strand en een turquoise oceaan beloofd. Er zou geen dagplanning zijn, geen uren rijden over kiezelwegen en we hoefde niets over Castro of Guevara te horen. Er zou in Varadero zelfs telefoonbereik zijn, wat betekende dat ik na een maand eindelijk met mijn vriendje kon sms’en. Varadero was voor de vijftienjarige versie van mij het beloofde land.

 

Varadero was voor de vijftienjarige versie van mij het beloofde land.

 

De avond voor we naar het plaatsje zouden vertrekken voelde het alsof ik de volgende dag jarig zou zijn. Ik kon nauwelijks slapen van de opwinding. Na elf uur rijden kwamen we aan bij onze bestemming. Het hotel waar we zouden overnachten was een ‘all inclusive’-hotel. Zodra we de bus uitstapten, kregen we een bloemenkrans om onze nek en werd er een kokosnoot in onze handen gedrukt waar een rietje in zat met een parasolletje. Tijdens het inchecken kregen we een fel gekleurd polsbandje om, waarmee we ‘gratis’ eten en drinken konden halen.

‘Ik voel me net een gevangene,’ had een medereiziger geklaagd, terwijl ze uit haar kokosnoot dronk en met afkeer naar het bandje om haar pols keek.

Zodra we onze koffers in de kamer hadden gezet, snelde ik naar het strand. Onze hotelkamer was op loopafstand van de zee. Net voor het strand begon had het hotel een zwembad aangelegd, en hier lagen de hotelgasten als sardientjes in blik, zij aan zij, te bakken in de zon.

Emilio, de reisleider, zat onder een palmboom. Ik kwam naast hem staan en keek om me heen. Het strand was nog mooier dan op de plaatjes in de Lonely Planet. Het spierwitte zand en de felblauwe zee deed me denken aan de reclames van de chocoladerepen van Bounty.

‘Told you,’ zei hij Emilio trots, ‘paradise.’

Het strand was uitgestorven. Niemand zwom in de zee en slechts een handjevol mensen lag met een handdoekje op het hete zand. Ik verklaarde alle toeristen die het zwembad verkozen boven de oceaan voor gek. Tot ik bij de vloedlijn stond: er dreven vieze luiers, gebruikte condooms, lege zakken chips, plastic tasjes en zelfs een gevulde afvalzak.

‘Told you, paradise,’ hoorde ik de stem van Emilio in mijn hoofd galmen.

Niet alleen de Cubaanse zee werd vervuild, ook andere adembenemende plekken op het eiland werden als vuilnisbelt gebruikt. Niemand voelde zich geroepen om met een prikstok plastic tasjes en vieze luiers uit de zee te vissen. Iedereen kreeg hetzelfde betaald, gemiddeld $15 dollar per maand (ondertussen is dit verhoogd naar $24 per maand) en iedereen werd hetzelfde behandeld. Niemand kreeg een schouderklopje van de baas of werd tijdens het halfjaarlijkse evaluatiegesprek geprezen over de inzet. Het communistische beleid zorgde ervoor dat hoe hard je ook werkte, hoeveel ambitie je ook had, je bleef net zo arm als de rest van de bevolking.

 

Straatbeeld cuba
Sinds het aftreden van Fidel Castro is het maandinkomen van de meeste Cubanen bijna verdubbeld.

 

Die avond aten we in het restaurant van het hotel. Bij de ingang stonden mannen met een bewakersuniform aan streng te controleren of iedereen hun polsbandjes om had. Er was een lopend buffet, er waren tafels tegen een lange muur opgesteld met daar bovenop tientallen bakken eten. Het leek net alsof het eten dat op de rest van het eiland zo schaars was, allemaal hierheen was gebracht. Bakken vol cuban croquetas, paella, vis, kip, rund, ropa vieja en zelfs spruitjes.

Na een maand elke dag dezelfde soort maaltijd gegeten te hebben verlangde ik naar iets anders. Ik schepte mijn bord vol met eten en liep samen met mijn broer naar een lege tafel. Net toen ik mijn vork in een van de spruitjes wilde zetten, kwam Emilio samen met twee reisgenoten bij ons aan tafel zitten. Mijn broer, de meest sociale van ons twee, begon een gesprek met onze groepsgenoten. Ik probeerde ondertussen met mijn vork in een spruitje te prikken, maar het gleed telkens weg. Toen het eindelijk leek te lukken, schoot het spruitje van mijn bord af en vloog van de tafel op de grond. Verbaasd keek ik ernaar.

‘They are still frozen,’ zei Emilio terwijl hij net een hap rijst nam, hij knikte naar de stapel spruitjes op mijn bord, ‘they look okay from the outside, but they are frozen from the inside.’

Ik glimlachte naar hem, maar hij was gefixeerd op het eten op zijn bord en zag het niet. Een half uur later was mijn broer nog steeds diep in gesprek met onze medereizigers. Emilio en ik hadden ons eten inmiddels op en we zaten in stilte tegenover elkaar.

‘Emilio,’ begon ik, toen ik de stilte niet meer aankon, ‘can I ask you a question?’

‘Of course,’ antwoordde Emilio glimlachend. Hij had nog steeds zijn vork vast.

‘You don’t have to answer if you feel uncomfortable,’ waarschuwde ik hem. Hij knikte, schraapte zijn keel, legde zijn vork neer en ging verzitten. Ik nam een slok van mijn drankje. Het blikje had dezelfde rode kleur als die van Coca Cola, maar in plaats van de sierlijke letters van Coca Cola stond er TuKola op. Het smaakte naar Cola waar drie extra eetlepels suiker aan toegevoegd waren.

‘Is there really nothing wrong with Cuba?’ vroeg ik, toen ik het suikergoedje had doorgeslikt.

 

Muur met affiches cuba
‘Is there really nothing wrong with Cuba?’

 

Emilio deed zijn mond open om iets te zeggen, deed hem weer dicht en keek achter zich. Er liep een ober langs, pas toen deze uit het zicht was draaide hij zich weer naar mij.

‘There is and there isn’t.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen. Hij keek weer schichtig om zich heen, toen hij zeker wist dat niemand hem kon horen ging hij verder: ‘I am never sure if someone is listening. I am not sure if that waitress,’ hij knikte haast onzichtbaar naar een meisje in een groen uniform die de bakken rijst aan het aanvullen was, ‘is really a waitress or a spy.’

Ik keek hem ongelovig aan.

‘My best friend was a tour guide just like me,’ ging hij verder, ‘but he disappeared a year ago. Nobody knows whether he is still alive or not and everybody is afraid to talk about it.’ Hij keek langs me, naar de uitgang van het restaurant. ‘If you say something bad about Cuba, they, ehm,’ hij was even stil, zijn ogen verschoten van de uitgang naar onze buschauffeur die een tafel naast ons zat, toen ging hij verder: ‘they don’t like that, so I am just trying to be safe, you know?’


Dit gesprek voerde ik tien jaar geleden. Ik weet niet hoe het nu met Emilio gaat, maar ik hoop dat hij in minder angst leeft dan toen.

In de acht jaar dat ik samen met mijn broer en vader de wereld afreisde, leerde ik alles wat een reiziger moet weten. Maar niemand leerde me hoe ik me moest voorbereiden op het gevoel op Cuba.

Ik voelde me als een bezoeker van een distopische dierentuin in een tropisch land, waar de tijgers in te kleine kooien zitten en ijsberen oververhit en depressief in de zon liggen. In gedachten blijf ik voor het verblijf van de ijsbeer staan en lees een bordje waar in vrolijke letters op staat: ‘This is Icey the Ice Bear, he is super happy while lounging in the sun and he is so lucky that he lives in this zoo. Come watch him eat salmon out of the hands of the gatekeeper at 16h00!’

 


Charlies boekentips: vijf leuke boeken voor een écht tropisch paradijs

Deze boeken leg je niet meer weg, lees je ontspannen, laten je nadenken en/of geven je nóg meer rust.

Meer boekentips? Charlie geeft ze dagelijks op Instagram (@leeseenboek)!