Deze maand was ik vier dagen in Berlijn. Ik had er zin in, maar in februari is Berlijn vaak koud, nat en grijs. Van een aantal vrienden wist ik dat zij de stad, die ze zomers zo tof vonden, ’s winters liever vermeden. De rafelranden waar Berlijn om bekend staat, veranderen – zo werd mij verteld – tijdens de wintermaanden in deprimerende, naargeestige plekken.

Nat en koud was het zeker tijdens mijn bezoek, en drie van de vier dagen kleurde de lucht loodgrijs. Niet bepaald het weer om rond te lopen in een stad die haar karakter grotendeels ontleent aan graffiti, afgebladderde affiches, verlaten metrostations en, in Oost-Berlijn, in de typische DDR-plattenbau van aaneengeschakelde flats. Toch vond ik het verre van deprimerend, sterker nog: door het oog van mijn camera zag ik vooral veel kleur.

Het viel me op dat de stad veel contrasten heeft. Tegenover het grauwe, grijze en ruwe karakter zag ik tegelijkertijd een stad waar juist veel kleur is door kleine details. In de stadsbouw (bijvoorbeeld roze verwarmingsbuizen of knalgele pinautomaten), maar ook door de straatkunst die je overal ziet. De straatkunstenaars dragen niet alleen een (vaak politiek geëngageerde) boodschap uit maar voegen ook kleur, humor en lichtvoetigheid toe. Ik heb geprobeerd dit contrast naar voren te laten komen in deze fotoserie.

De stad ademt natuurlijk ook geschiedenis. Door het oog van de camera leek het alsof de inwoners een soort acteurs waren tegen de achtergrond van een toneel waar zoveel heeft plaatsgevonden; alsof een deken van de geschiedenis over de stad ligt en een dempend effect heeft. Het viel me op dat het niet lawaaierig was, de sfeer was zelfs vrij kalm. In mijn fotoserie staan daarom ook niet de inwoners maar details uit de stad zelf centraal. Je ziet op sommige foto’s wel mensen, maar eigenlijk vallen ze helemaal niet op.